Home
Home





English





Workshops





Teksten/
Artikelen





Contact





Naud van der Ven





NB: zijn de teksten niet netjes leesbaar?
Probeer een ander merk browser, bijvoorbeeld Firefox.

Klik
                    hier voor blogberichten




Werk en Reflectie over Peter Sloterdijk



Inhoud



Inleiding

Peter Sloterdijk staat bekend als een barokke, zo niet bombastische filosofische schrijver. Dat is alleen al te zien aan de omvang van de boeken die hij schrijft, bijvoorbeeld de Sferentrilogie, bestaande uit drie volumes variërend van 600 tot 900 pagina’s. Het boek Je moet je leven veranderen, dat centraal staat in deze inleiding, telt ‘slechts’ 450 pagina’s, maar de stijl is onvervalst Sloterdijkiaans. Des te opmerkelijker is dat hij aan het begin van het boek in één zin – weliswaar een behoorlijk lange – vertelt waar het boek over gaat.

“De held van het nu volgende verhaal, de homo immunologicus, die aan zijn leven met al zijn gevaren en overschotten een symbolische betekenis moet geven, is de met zichzelf worstelende, zich om zijn vorm bekommerende mens – we zullen hem preciezer omschrijven als de ethische mens, of nog beter: als de homo repetitivus, de homo artista, de mens in training.”

Oefenen

Korter gezegd: het gaat hem om de oefenende mens. Voortdurend oefenen, opgevat als zich overgeven aan herhaling omwille van verbetering van zichzelf, is namelijk wat volgens Sloterdijk mensen kenmerkt. Oefening heeft de mensheid in de loop van vele eeuwen gevormd tot wat zij nu is, zo stelt Sloterdijk vast en door bestudering van het oefenen kunnen we beter begrijpen wie we werkelijk zijn.

Hij noemt oefeningen ook wel een verzameling van antropotechnieken, en daarvan zijn er allerlei varianten. In de sport noemen we de antropotechniek ‘training’ , tijdens godsdienstoefeningen noemen we het ‘ascese’, op het werk door herhaling gekweekte ‘professionaliteit’. Daar waar de mens zichzelf vormt en stimuleert is hij aan het oefenen. Dat stelt hem in staat op gezette tijden boven zichzelf uit te stijgen en het onwaarschijnlijke te bereiken.

In de net aangehaalde zin van Sloterdijk vind ik drie aspecten van de oefenende mens die in zijn boek steeds terug blijven komen.

•    Hij spreekt over de ‘homo immunologicus’. Het oefenen is mede bedoeld, aldus Sloterdijk, om temidden van de aardse ellende een zekere mate van immuniteit daartegen op te bouwen. Daarop kom ik uitgebreider terug bij de bespreking van de motieven voor het oefenen.

 •   Hij noemt de oefenende mens ‘de ethische mens’. Voor Sloterdijk is ethiek niets anders dan het afzien van de onmiddellijke behoeften om de wil te richten op iets wat hoger is, maar niet direct beschikbaar blijkt. Ethiek impliceert een volledige ommekeer, een zich afkeren van het oppervlakkige. Die ommekeer zou identiek zijn aan een zich wenden tot het betere, tot het ware, zelfs tot het onmogelijke. En dat hogere kan moreel van aard zijn, maar ook artistiek of sportief. Het gaat erom dat je blijft stijgen.

•    Sloterdijk focust op wat hij noemt “de zich om zijn vorm bekommmerende, worstelende mens, in training”. Hij ruimt veel plaats in voor aan de sport ontleende termen om het oefenen te beschrijven. Dat is in overeenstemming met een belangrijke stelling van zijn boek. Namelijk dat hedendaagse vormen van oefenen zich in toenemende mate afspelen op het terrein van de sport, in stadions en sportscholen en minder in kerken en kloosters. Maar tegelijkertijd schept hij er plezier in om die oude, godsdienstige en rituele praktijken te beschrijven in termen van sporttraining, als ‘spirituele acrobatiek’. Hij zegt zelfs regelmatig dat religie eigenlijk niet bestaat en nooit bestaan heeft, dat is gewoon atletiek met een spiritueel sausje. De secularisering is dan ook niet meer dan een kwestie van trainerswisseling: zeg maar van Jezus naar Louis van Gaal.

Wat in die ene zin niet genoemd wordt maar in het boek zeer uitgebreid ter sprake komt, is:
 
•    De afzondering die er nodig is voor het oefenen. Het omhoogstreven van het oefenen betekent een breuk met het oppervlakkige. Een belangrijke implicatie daarvan is dat de oefenende mens zich ook sociaal los moet maken van zijn omgeving omdat daar nu eenmaal voor het merendeel mensen rondlopen die geen zin hebben in oefenen. Voor het bereiken van de eigen hoogte is afscheiding nodig. Sloterdijk : “In feite betekent het de uitvinding van het individu(...)Het is niet anders: is de uiterlijke wereld eenmaal van me gescheiden en op afstand gezet, dan blijf ik alleen over en ga ik mezelf ervaren als oneindige opgave”. Het menselijk subject definieert hij daarom als “de drager van oefenreeksen”.

Zoals gezegd is die terugtrekking uit de gewone wereld in eerste instantie vooral gerealiseerd door de religieuze asceten en niet zozeer door artiesten of sporters die daaraan vooraf gingen. Vanaf 2500 jaar geleden – in de zogenaamde ‘Spiltijd’ – richtte de ascese zich “op de vijf hoofdfronten van de nood: de materiële schaarste, het lastkarakter van het bestaan, de seksuele drift, de vervreemding en de onvrijwilligheid van de dood”. De mens moest daarvoor breken met zijn oude solidariteiten. “Het resultaat is een mensheid van de twee snelheden”, namelijk aan de ene kant mensen die geïnteresseerd zijn in het beklimmen van de onmogelijke bergen en aan de andere kant zij die dat niet zijn.

Motieven voor het oefenen

Waarom traint een mens? Sloterdijk geeft daarvoor twee, schijnbaar uiteenlopende motieven namelijk allereerst het afweren van kwetsbaarheid door immuniteit, zoals naar voren kwam in wat hij zojuist noemde “de hoofdfronten van de nood”. En als tweede het verlangen naar een sublieme hoogte-ervaring. Maar misschien zijn die motieven niet zo uiteenlopend en zijn ze beide terug te brengen tot de wens om te ontsnappen aan de wereld. Alleen is dat bij immuniteit negatief geformuleerd en bij het sublieme positief.

Eerste motief: het bereiken van immuniteit voor de wereldse realiteit van sterfelijkheid en dood

Op p. 211 zegt Sloterdijk: “Als de onsterfelijkheid nu eens een kwestie van oefenen was? Wie dat gelooft, gelooft ook samen met Plato, de Indische leraren en de onsterfelijken van het taoïsme een mandaat te bezitten om het onmogelijke te onderrichten, zij het alleen binnen een kring van getalenteerden.” De achtergrond voor dit streven is de opvatting van de wereld als een tranendal, troosteloos en neerdrukkend. Door het omhelzen van hogere doelen, zelfs onmogelijke doelen “krijgt de normale depressiviteit, alias realisme, het merkbaar moeilijker. De voortdurende vooruitgang van de antidepressieve campagne daagt de geschiedenis uit: ze is onderworpen aan de wet van de vertraging van het wonder”.

Sloterdijk plaatst deze mentale immuniteitsstrategie in een groter kader waarin ook biologische afweersystemen en sociale solidariteit en onderlinge ondersteuning een plaats hebben. “Met een antropologisch breed onderbouwd oefenbegrip krijgen we eindelijk de beschikking over het instrument waarmee we de methodologisch onoverwinnelijk geachte kloof tussen de biologische en de culturele immuniteitsfenomenen, met andere woorden tussen de natuurlijke processen enerzijds en de handelingen anderzijds, kunnen overbruggen.”

Tweede motief: streven naar omhoog

De titel Je moet je leven veranderen past vooral bij dit positief geformuleerde streven. Hij is ontleend aan een gedicht van Rilke, dat abrupt en onverwacht eindigt met die zin. Van een bepaald oud-Grieks beeld van Apollo, een gespierde torso zonder hoofd, gaat volgens Rilke een appel uit aan de lezer: iedereen die echt de schoonheid en de in het beeld samengebalde oerkracht tot zich neemt zou (volgens Rilke) de confrontatie moeten voelen met iets oneindig superieurs en subliems, iets dat ver uitstijgt boven het leven zoals we dat menen te kennen. Dus zou iedereen bij het zien van zo’n kunstwerk de aandrang moeten voelen zijn leven totaal te transformeren. Sloterdijk noemt dit een ‘verticale spanning’ en ook een ‘hoogte expeditie’: de als onontkoombare noodzaak gevoelde drang om je eigen niveau te verhogen, om jezelf tot in het oneindige te overtreffen, in wat Sloterdijk noemt ‘het vuur van de overdrijving’, richting heroïek en atletisme. Sloterdijk: “De mens boekt alleen vooruitgang als hij zich richt op het onmogelijke; Wie mensen zoekt zal acrobaten vinden”. Als voorbeeld hiervan verwijst de auteur naar de 19e-eeuwse Carl Hermann Unthan. Deze Duitser was zonder armen geboren, en ontdekte op zevenjarige leeftijd dat hij viool kon spelen met zijn voeten. Hij kwam ermee op het conservatorium, en heeft zijn leven lang als vioolvirtuoos de wereld rondgereisd.

Het oefenende leven vanuit deze positieve opwaartse drive is volgens Sloterdijk ‘de basis van alle beschavingen’. Daarbij vindt Sloterdijk het nodig om de vaak bewierookte rol van regulier onderwijs bij de dit omhoog streven te relativeren. Hij heeft het niet zo op onderwijzers en leraren, volgens hem wordt de mensheid namelijk al 2500 jaar lastiggevallen door leraren. Als het moet gaan over hoogte expedities en het beklimmen van wat hij noemt ‘Mount impossible’ dan is het onderwijs hoogstens te beschouwen als het basiskamp van klimmers, maar dan vooral het theoretische onderdeel van het basiskamp. Belangrijker zijn voor hem de praktijkoefeningen in het basiskamp, maar daar hebben leraren geen kaas van gegeten. Voor die rol komen allereerst alleen de uitzonderingsmensen zelf in aanmerking zoals goeroes, atletentrainers en kunstvirtuozen.

Historisch overzicht van het oefenen

Wie waren dan feitelijk in de loop van de geschiedenis in de praktijk van het basiskamp de oefenaars en de trainers? Wie zijn degenen geweest die zich afgezonderd hebben van de samenleving om zich te onderscheiden met hun streven naar het hogere?

Oudheid

De oudste laag in de meeste culturen van het oefenen is die van helden en atleten, ofwel ‘het heroïsch-heilig-atletische complex’. Op westerse bodem moet je daarbij denken aan homerische helden en olympische sporters. Maar juist binnen de Grieks-westerse cultuur neemt dat complex een wending naar meer verinnerlijkte en geestelijke oefening met de opkomst van de stoïcijnen rond 300 voor de gangbare jaartelling (vgj). Bij hen stond het afweermotief van beschutting tegen wereldse ellende centraal, en zij begrepen dat ze voor werkelijke immuniteit afstand moesten kunnen nemen van hun hartstochten en van ingesleten gewoonten. Maar daarmee, via wat Sloterdijk noemt de eenzaamheidstechnische procedure, ook van hun omgeving waarin die gewoontes en hartstochten onbelemmerd werden geaccepteerd. Aanvankelijk waren het binnen de Griekse steden groepen die zich afzonderden, maar de latere stoïcijnse scholen, en na hen de epicuristen en neoplatonici, plaatsten het privéonderwijs op de voorgrond.

De levenskunst waar de stoïcijnen op oefenden had nauwelijks een religieus karakter, maar geleidelijk aan begonnen religieuze groeperingen zich te interesseren voor hun antropotechnieken. Vanaf de eerste eeuwen van de gewone jaartelling zijn het vooral de christenen die er veel gebruik van gingen maken voor het realiseren van hun ascetische ambities. Bij hen speelde nog steeds het van de stoïcijnen bekende motief voor training en verandering een grote rol, namelijk de wereldverzaking en bijbehorende immuniteit. Maar daarnaast werd het tweede motief belangrijk: een opwaarts gericht streven naar de volkomen christelijke perfectie. Daarop oefenden in alle eenzaamheid de heremieten die zich in de woestijn terugtrokken als woestijnvaders en op pilaren als pilaarheiligen. Weer iets later kwamen opnieuw oefenplaatsen in groepsverband in zwang en ontstonden de kloosters. Sloterdijk duidt ze aan als ‘de eerste trainingskampen van de volkomenheid en de haard van het religieuze communisme’. Dat leverde, tegen het begin van de Middeleeuwen, een hoop ascetische expertise op, of zoals Sloterdijk zegt: “Na 250 jaar psychagogische experimenten in de woestijn was de schatkamer van de kloosterlijke empirie tot de nok toe gevuld”.
 

Middeleeuwen

In de Middeleeuwen, vanaf ongeveer 500 van de gangbare jaartelling, ontwikkelde dat zich verder en werden nieuwe accenten gelegd. De top waar men voor oefent wordt nu omschreven als de versmelting van het afgesplitste individu met het absolute, en dat is niets minder dan het goddelijke. Hier is duidelijk het omhoogstrevende motief aan het werk. Maar tegelijkertijd is daarin het wereldverzakende immuniteitsmotief terug te vinden, de voortzetting dus van oud-Griekse beginselen. “Dat de volkomenheid ook op dit punt met de uitdrukking apatheia, respectievelijk ‘zielerust’ wordt aangeduid, pleit voor de continuïteiten die het monastiek oefenwezen terugkoppelen aan de ascetische kunsten van de voorchristelijke praktische filosofie en van het figuurlijke atletisme. In beide gevallen blijft het leven van de volkomenen een opmars naar de dood.”

De verandering waartoe het oefenen moet leiden krijgt er een specifiek aspect bij, namelijk de nederigheid of zelfs vernedering waaraan de asceet zich moet overgeven. Dit kon de vorm krijgen van bedelen, zoals gepraktiseerd door de bedelorden die ontstonden in de Middeleeuwen. Het ging erom dat “de oefenende zichzelf volgens strikte richtlijnen vergewist van zijn eigen nietswaardigheid en zijn onmetelijke schuld jegens de Verlosser, Jezus Christus”. Dit levert de paradox op van oefeningen in nederigheid waarmee je de top bereikt. In de voorhoede van deze sport “staat logischerwijs degene die het doel helemaal bereikt heeft, de volkomene, in dit geval de Godmens, Christus in persoon”.

Dat streven bereikt in de zestiende eeuw bij de overgang van de Middeleeuwen naar de Moderniteit een nieuw  hoogtepunt, namelijk met “de jezuïtische exercities, deze autogene rouwmoedigheidstraining van dertig harde dagen en nachten van uiterste concentratie”. De rol van het Voorbeeld Christus wordt absoluut, althans voor zover het de 16e-eeuwse religie betreft. Maar tegelijkertijd is, vooral onder invloed van de Renaissance, een verbreding van het virtuozendom te zien, namelijk naar de meer wereldse terreinen van het technische, het artistieke en ten slotte het politieke. Met de opkomst van de steden in West-Europa waren nieuwe oefenmiddelen zoals machines, werktuigen, media en geldmiddelen ter beschikking gekomen. Die vonden in de eerste plaats hun weg naar scholen en daarnaast naar ateliers, theaters, concertzalen, kazernes, fabrieken, klinieken, tuchthuizen, stadions en sportstudio’s. Virtuozen op al die terreinen traden uit de schaduw van de heiligen, onder meeneming van de idealen van perfectie en volkomenheid, nu toegepast op wereldse varianten van filosofie, muziek en kunsten. Deze despiritualisering van de ascese bereikt een hoogtepunt met de Verlichting in de achttiende eeuw. “In die zin is de moderniteit een degelijk vervangingsprogramma voor de ethische secessie.” Maar tot ongeveer het einde van de 18e eeuw werd nog niet expliciet over vervanging gesproken van heiligen door virtuozen. De oude religieuze ascese bleef voortbestaan en aanwezig naast de nieuwe, meer wereldse oefenscholen.

De Moderniteit van de 19e en 20e eeuw

Pas in de 19e eeuw durft men voluit de conclusie te trekken dat de religieuze oefentraditie niet meer relevant is. Religie is niet meer nodig, en eigenlijk, zegt Sloterdijk, is godsdienst sowieso hoogstens een nevenverschijnsel in de westerse beschavingsgeschiedenis. Hij noemt godsdienst een ongelukkig effect van het ascetische en ethische trainingsprogramma dat aanvankelijk wel naar iets hogers, maar niet naar iets bovenaards verwezen zou hebben. De geschiedenis die zich daarna ontplooide, heeft in de vorm van godsdienstoorlogen daarvan de bittere vruchten geplukt.

De 19e-eeuwse belichaming van specifiek anti-christelijke polemiek is Friedrich Nietzsche. Hij ziet in die traditie een ongelukkige vorm van levensvijandigheid door boetedoening en ascese, van levensuitstel door oriëntatie op het hiernamaals en van afwijzing van de seculiere feiten. Hij eiste de stopzetting van de christelijke verstervings- en zelfverloocheningsoefening en vervanging daarvan door de ascese van het hogere, de autonomieoefening, de ontwikkelingstraining. De verticale naar bovengerichtheid blijft bij Nietzsche dus wel gehandhaafd, hij spreekt niet voor niets over de bovenmens (Übermensch).

Maar als de upgrading van het mens-zijn geen religieuze kwestie meer is, waar horen onze oefeningen dan thuis? Ook niet bij de ethiek, zegt Sloterdijk, want die is onderdeel van het metafysische complex dat met de religie is afgedankt. “Sinds de Verlichting God degradeerde tot een morele achtergrondstraling van het universum of hem ronduit tot een fictie verklaarde, hebben de moderne mensen de ervaring van het verhevene vanuit de ethiek naar de esthetiek verbannen.” De esthetiek dus? Toch ook niet, want Sloterdijk beschrijft tegelijkertijd het kunstsysteem van de Moderniteit als een steriel, op zichzelf betrokken gebeuren waarin het “steeds minder om het maken gaat en steeds meer om het tentoonstellen”. Ook daar is van echt oefenen geen sprake meer, het trainingselement wordt er verwaarloosd.

Het enige terrein waar nog geoefend wordt, aldus Sloterdijk, is dat van de sport. Daar wordt letterlijk getraind en dat terrein maakt sinds de 19e eeuw een ongekende opmars door. Sport is de manier bij uitstek geworden voor zelfrealisering, maar Sloterdijk benadrukt de continuïteit met de voorafgaande trainingsvormen: “In het tijdperk van de NV IK kan het geen kwaad eraan te herinneren dat wat tegenwoordig fitness heet, in het begin van de moderniteit kon worden aanbevolen onder de naam heiligheid.” Het verschil is, zo stelt Sloterdijk vast, dat het spirituele trainingsprogramma weer met beide benen op de aarde is komen te staan. De moderne beschaving is geseculariseerd, en sportlieden zijn de nieuwe godenzonen. Het lijkt alsof de cultuur, na zo’n drie millennia, opnieuw terug is bij het pure atletisme. Het is geen toeval dat tegen het einde van de 19e eeuw in 1896 baron De Coubertin met zijn initiatief kwam om de Olympische Spelen te revitaliseren, als de ‘wedergeboorte van de Oudheid’.

Opnieuw, zegt Sloterdijk, moeten we Nietzsche erbij halen. Want tegelijkertijd met zijn afwijzing van het christendom heeft hij het ego gerehabiliteerd. En daaraan stelt hij hoge – voor Sloterdijk wel té hoge – onvoorwaardelijke eisen: de mens moet zich richten op het onmogelijke. Dat past helemaal bij de moderne aandacht voor sport en spektakel, want hoe moet de virtuoos en de sportman zich anders kwalificeren als hij niet voortdurend naar zichzelf mag kijken om zich permanent te verbeteren? Daarmee herstelt Nietzsche het oorspronkelijke axioma van het oefenende leven voordat dat spirituele ascetische trekken had gekregen. Zo bezien kun je Nietzsche en De Coubertin als geestverwanten zien, of op zijn minst als twee representanten van de eind-19e-eeuwse tijdgeest:  die wenste meer aandacht voor aardse lichamelijkheid, en minder voor spirituele innerlijkheid. Kortom: resomatisering en despiritualisering van de ascese.

Sloterdijk juicht de opbloei van de sport toe, maar voor hem hoeft dat niet het acrobatische heroïsme te zijn wat het voor Nietzsche en De Coubertin was, met daaraan automatisch gekoppeld de rest van de mensheid als aanbiddende toeschouwers van spektakels in enorme stadions. Die op virtuositeit gerichte sport staat voor een moeilijk dilemma. “Ofwel de sporter blijft fungeren als getuige van het menselijke vermogen op de grens van het onmogelijke stappen naar voren te zetten. Ofwel hij vervolgt de nu al voorgetekende weg van de zelfvernietiging waarop debiele fans co-debiele sterren met erkenning overladen, de eerste dronken, de laatste onder doping.”

Sloterdijk ziet meer in de gematigde, en gezondere vorm van zelfzorg die hij bij de filosoof Michel Foucault aantreft. Daarbij moet de categorie van de toeschouwer die vanaf een bewonderende afstand de virtuoos gadeslaat, vervallen. Sloterdijk vult het liever een beetje pragmatisch in. We moeten allemaal gaan oefenen (misschien hijzelf uitgezonderd), maar daarvoor mag de eis van virtuositeit wel wat gematigd worden. “Wat ons te doen staat, is het ons eigen maken van een veralgemeend oefenbesef uit de bronnen van de antieke filosofie en de eigentijdse kunst- en lichaamspraktijk.”

Want met de wending naar de aarde van de 19e eeuw is de oude opdracht van ‘je moet je leven veranderen’ niet minder relevant geworden. Integendeel, die heeft misschien aan belang gewonnen. Zelfs op filosofisch niveau, geheel los van de sport, komt dat naar voren, namelijk in de existentiefilosofie, zoals bijvoorbeeld het werk van Heidegger. Die heeft het nadrukkelijk over terugplaatsing van de mens in het aardse bestaan, over in-de-wereld-zijn en bij-de-dingen-zijn. En dat betekent onvermijdelijk een verlies van bewonderende distantie en meer deelname van alle gewone mensen aan lichamelijke oefening en aandacht. Vandaar de woorden ‘veralgemeend oefenbesef’ van Sloterdijk.

Er is sinds een halve eeuw nog een dringende reden bijgekomen om ons leven te veranderen, namelijk de ecologische crisis. Die maakt het helemaal noodzakelijk om weer tot de oefening terug te keren. Er valt niet meer te vluchten, noch voor de wereldontstijgende virtuoos, noch voor de zwijmelend bewonderende toeschouwer. Wereld- en zelfverbetering gaan hand in hand, voor alle mensen. De sport in zijn pragmatische, niet-extatische gedaante kan daarbij helpen, aldus Sloterdijk. Die biedt immers oefentechnieken in uitgesproken aardse termen. Commentator Ger Groot: “De zin ‘Je moet je leven veranderen!’ moet nu worden opgevat als refrein van een taal van het in-vorm-raken. Hij behoort tot een nieuwe retorisch genre, het coachdiscours, de donderpreek in de kleedkamer tegen een team dat uit vorm is”.

En ja, ondanks alle pragmatisme blijft het aspect van ‘onmogelijke doelen’, die altijd bij het oefenen behoorden, aanwezig. Want hoe gaan wij dan precies de aarde redden? Trainen voor de sport en trainen voor de ecologie hebben precies dát met elkaar gemeen: het is trainen voor het onwaarschijnlijke, misschien het onmogelijke. En misschien ligt ons dat wel, zegt Sloterdijk, want “Wie niet gegrepen wordt door het al te grote, behoort niet tot de soort homo sapiens. Tot haar behoorde al de eerste jager in de savanne die zijn hoofd optilde en begreep dat de horizon geen veilige grens is maar de poort waar de goden en gevaren door naar binnen komen”. Iemand die niet deze fascinatie voor het ‘al te grote’ voelt is volgens Sloterdijk gewoon een ingeslapen sukkel.

Evaluatie

Wat vind ik per saldo van het betoog van Sloterdijk? Laat ik beginnen met te zeggen dat het boek door Sloterdijks stijl iets fascinerends en onderhoudends heeft. Sloterdijk laat je zwelgen in een vette brij van metaforen en historische verwijzingen die vaak hilarisch zijn en je het gevoel geven in een gigantische intellectuele ruimte te bewegen. Dat heeft als keerzijde dat de tekst en het taalgebruik regelmatig aanvoelen als bombastisch en gezwollen. Sloterdijk schetst grote filosofische vergezichten, impliceert veel, maar blijft tegelijkertijd abstract en comfortabel academisch gezeteld. Dat laatste is eigenlijk in strijd met zijn pleidooi om minder toeschouwer te zijn, en meer in-de-wereld. Bovendien brengt het hem ook regelmatig in conservatief vaarwater.

Conservatief, maar ook solidair

Aan de ene kant lijkt hij de despiritualisering van de beschaving toe te juichen. Maar aan de andere kant bejubelt hij de weinige monniken die nog in ons midden zijn. Zoals Ger Groot vaststelt: “Alleen zij (als atleten van de geest) lijken nog te weten wat trainen werkelijk is: een eindeloze herhaling van dezelfde oefeningen waarin de novice stap voor stap een grotere volmaaktheid bereikt. Díe vorm van oefening, waarop tot voor kort de hele beschaving berustte, is in de rest van de samenleving in ongenade gevallen, zo stelt Sloterdijk met onvervalst conservatieve treurnis vast.”

De conservatieve inslag van het boek wordt versterkt door Sloterdijks voorliefde voor elites. Hij schrijft volgens eigen zeggen voor een nieuwe elite. Hij stuurt het boek graag richting een klassieke, antieke, en vooral ook elitaire oefencultuur. Niet voor niets ziet hij net als Nietzsche een essentiële rol voor wat hij de ‘hoogcultuur’ noemt en opent hij het boek met een gedicht van Rilke dat gaat over een beeld van Rodin. Daar staat tegenover dat hij tegen het slot van het boek pleit voor meer gelijke immuniteitskansen voor iedereen, dus voor meer wereldwijde solidariteit. “In plaats van een romantiek van de broederschap komt een coöperatieve logica. ‘Mensheid’ wordt een politiek begrip. Haar leden zijn niet langer passagiers op het narrenschip van het abstracte universalisme maar medewerkers aan het door en door concrete en discrete project van een wereldwijd immuundesign.” Zo’n structuur, binnen een horizon van universele vormen, van ascese noemen we beschaving. “Haar orderegels moeten nu of nooit worden opgesteld(…) men moet zich door dagelijkse oefeningen de goede gewoonten van gemeenschappelijk overleven eigen maken.”

Ger Groot oordeelt desondanks vrij vernietigend over het boek: “Goed gebruld, leeuw! – zou je geneigd zijn te zeggen, al lijkt de berg van bijna 450 bladzijden die daaraan voorafgaan met deze kort beschreven nieuwe opdracht weinig meer dan een muis te hebben gebaard. Eindelijk weten we nu waartóé we ons leven moeten veranderen, maar veel meer dan platitudes levert dat in Sloterdijks vooruitblik niet op.”

Onveilig

Ik voel me behoorlijk onveilig bij het elitaire karakter van dit boek. Het permanente streven naar hoger en uitzonderlijker biedt weinig geborgenheid. Zo’n onveiligheidsgevoel los ik meestal op door te bezien wat er in de lijn van het denken van Levinas te zeggen valt over de onderwerpen die ter sprake komen.

Paradoxaal genoeg blijkt voor Levinas hoogte, hauteur, ook een belangrijke categorie te zijn. En op sommige plekken lijkt dat gelijkenis te vertonen met de oriëntatie op hoogte van Sloterdijk. Bijvoorbeeld op p. 133 van De totaliteit en het Oneindige zegt Levinas: “Reeds het menselijk egoïsme gaat de loutere natuur te boven ­vanwege het rechtop gestelde menselijk lichaam, geëngageerd  in de richting van de hoogte”. Dat matcht aardig met Sloterdijk wanneer die zegt dat de mens niet kan zonder de verticale spanning naar omhoog.

Maar Levinas zegt ook andere dingen over die hoogte waar ik me op richt: het is de ander die daar zit, die hoogte is niet per se voor mij bestemd. Zoals op p. 251 van De totaliteit en het Oneindige: “Het gelaat herinnert me aan mijn verplichtingen en oordeelt over mij. Het zijnde dat zich daarin aandient komt uit een dimensie van hoogheid, de dimensie van de transcendentie”.

Dat zorgt voor een groot verschil tussen Levinas en Sloterdijk. Bij Sloterdijk is het het ik dat de hoogte moet zien te bereiken. En het moet dat doen op eigen kracht. Aangespoord door de klassieke Oudheid zegt het ik tegen zichzelf: je moet je leven veranderen. Bij Levinas staat de ander op die hoogte. Die zegt jou: je moet je leven veranderen. Maar je hoeft niet zelf de hoogte in te gaan.


Literatuur

Levinas, E. (1987) De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit. Oorspronkelijk in 1961 als Totalité et Infini. Vertaald door Theo de Boer en Chris Bremmers; met aantekeningen van Theo de Boer. Baarn: Ambo.

Sloterdijk, P. (2011) Je moet je leven veranderen. Over antropotechniek. Amsterdam: Boom.